|
Bedreigd papierbezit
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Monografieën | (3443 kasten) | > | 1103 monsters |
| Tijdschriften | (1571 kasten) | > | 503 monsters |
| Kranten | (2885 kasten) | > | 462 monsters |
| Depot | (2285 kasten) | > | 732 monsters |
De som van het aantal kasten bedraagt 10184.
Monstername
Het totale aantal monsters bij beide instellingen is via een a-selecte methode uit de stellingen/kasten genomen.
Bij het Algemeen Rijksarchief bedraagt de hoogte van alle stellingen, een incidentele uitzondering daargelaten, 225 cm. Het aantal planken per stelling is variabel, maar de breedte van elke kast is exact 100 cm. Bij het aanwijzen van de monsters werd als volgt te werk gegaan. Een stellingnummer bij het Algemeen Rijksarchief wordt 3000 maal bemonsterd uit de getallenreeks 1 tot 10731 met een homogene verdeling (=random).
Ook bij de Koninklijke Bibliotheek zijn vrijwel alle kasten 225 cm hoog en 100 cm breed. De kastnummers zijn bemonsterd uit de getallenreeksen conform het aantal monsters uit de afzonderlijke deelcollecties met een homogene verdeling.
Het aldus verkregen stelling- of kastnummer wordt na sortering door de statisticus op volgorde gekoppeld aan een monsternummer. De plaats van het te bemonsteren object binnen een stelling wordt bepaald door de coördinaten 'hoogte' en 'afstand van links'. Hoogte en afstand worden met een homogene verdeling vastgesteld tot op centimeters nauwkeurig tussen de limietwaarden 0 en 225 cm respectievelijk 0 en 100 cm. Een uitzondering vormt de deelcollectie Kranten waar de kastbreedte loopt van 0 tot 50 cm.
De hoogte wordt bepaald vanaf de grond (= 0 cm). Komt een aangegeven meethoogte uit tussen 2 planken, dan wordt de laagste van de 2 planken genomen. Ligt de meethoogte boven de stelling/kast dan wordt de hoogste plank genomen. Wanneer de meethoogte onder de onderste plank uitkomt (getal tussen 0 en 8) dan wordt de onderste (de eerste) plank genomen.
De te bemonsteren doos (ARA) of band (KB) wordt aangewezen door meting vanaf de linker staander. In geval van twijfel wordt de linker doos of het linker object genomen. De aangewezen doos of het aangewezen object wordt gepakt zoals deze op het moment van aantreffen staat of ligt. (zie tabel 1)
| Tabel 1 Bemonsteringsschema schade-inventarisatie Koninklijke Bibliotheek (voorbeeld) | |||
|---|---|---|---|
| SAMPLENR | KASTNR | CM HOOGTE | CM LINKS |
| 1 | 1 | 210 | 53 |
| 2 | 3 | 144 | 78 |
| 3 | 14 | 117 | 44 |
| 4 | 14 | 72 | 3 |
| 5 | 17 | 96 | 74 |
| 6 | 20 | 49 | 91 |
| 7 | 22 | 80 | 54 |
| 8 | 23 | 80 | 69 |
| 9 | 24 | 81 | 13 |
| 10 | 30 | 51 | 41 |
Bij de Koninklijke Bibliotheek wordt het boek door de restaurator in één beweging opengelegd om het midden van een boek te bepalen. Dan wordt van het rechterblad een strook afgesneden.
Bij het Algemeen Rijksarchief is een extra codering nodig. Bij meerdere dossiers/omslagen/
banden/delen enzovoort in een doos wordt het middelste object met het oneven nummer genomen. Binnen het object wordt gewerkt met codes. Bij voorbeeld: B9, E5, +M6 en -M12. B9 betekent 9e blad vanaf het begin geteld, E5 is analoog het 5e blad voor het einde. Het midden van een object wordt bepaald door 'dossiersplijting op geschat midden' (= in één beweging openleggen zonder correctie): -M12 houdt dan in het 12e blad voor het midden, +M6 het 6e blad na het midden. Dit systeem bleek eenduidig te werken. (zie tabel 2)
| Tabel 2 Bemonsteringsschema schade-inventarisatie Algemeen Rijksarchief (voorbeeld) | ||||
|---|---|---|---|---|
| SAMPLENR | STELLINGNR | CM HOOGTE | CM LINKS | BLADCODE |
| 1 | 1 | 180 | 39 | B22 |
| 2 | 3 | 7 | 80 | B10 |
| 3 | 4 | 28 | 88 | E19 |
| 4 | 7 | 66 | 49 | -M6 |
| 5 | 9 | 151 | 63 | B19 |
| 6 | 15 | 30 | 41 | -M4 |
| 7 | 25 | 46 | 5 | +M9 |
| 8 | 27 | 24 | 94 | -M15 |
| 9 | 32 | 21 | 37 | +M18 |
| 10 | 35 | 8 | 31 | B16 |
4.3 MEETGEGEVENS EN -METHODIEK
Meetgegevens
Op basis van de conclusies van het voorbereidend seminar in 1989 zijn de te meten gegevens vastgelegd. Ten behoeve van een goede monsteradministratie zijn de registratiegegevens afgedrukt op enveloppen (zie bijlagen A en B).
De registratie valt uiteen in twee gedeelten. In het algemene deel worden de algemene en random gegevens genoteerd, in het tweede deel de resultaten van de door de restauratoren uitgevoerde metingen.
Oorspronkelijk zou ook het onderzoek naar de samenstelling van de papiervezels deel uitmaken van de door de restaurator te verrichten metingen. Deze vezelanalyse werd nodig geacht om het onderscheid tussen houthoudend en houtvrij papier mede te kunnen aantonen. Daarmee zou, naast de eveneens te registreren papiersoorten (glad, vezelig: zie bijlagen A en B) wellicht meer inzicht kunnen worden verkregen in de verschillende soorten 'pulp' die destijds bij de papierfrabicage gebruikt werden. Om duidelijkheid te krijgen over de wijze waarop dit onderdeel zou moeten worden uitgevoerd heeft de conservation scientist van de Koninklijke Bibliotheek in 1990 deelgenomen aan een internationaal seminar in Engeland over de identificatie van de samenstelling van papier. Hierin kwam naar voren dat het microscopisch onderzoeken van verschillende papiergrondstoffen de nodige ervaring van de onderzoekers vraagt. Verder bleek dat de voorbewerking van het papiermonster, het maken van het microscooppreparaat, het aankleuren van de verschillende kleurstoffen en de microscopische analyse zelf een hoge mate van nauwkeurigheid vergen. Belangrijker is echter dat de interpretatie van het vezelpreparaat wordt bemoeilijkt door het feit dat de vezels meestal tijdens het fabricageproces zijn beschadigd en dat, in het bijzonder bij 20ste eeuwse papiersoorten, er vaak gebruik is gemaakt van mengsels en combinaties van chemische, mechanische en thermomechanische papierpulp. Op grond van deze informatie werd besloten af te zien van het uitvoeren van de vezelanalyse, mede gezien het feit dat met de ligninetest ook belangrijke informatie over dit aspect beschikbaar zou komen.
Meetmethode
Met behulp van de door de statisticus opgestelde monsterlijsten werden de monsters door de restauratoren uit de depots gehaald. Vervolgens werden op de restauratieafdelingen door gekwalificeerde restauratoren de navolgende metingen verricht:
Correlatie
Primair dient het schade-inventariserend onderzoek betrouwbare gegevens te leveren over de huidige omvang van het verval van het 19de en 20ste eeuws papier. Daarnaast is het van essentieel belang dat door het correleren van onderzoeksgegevens specifieke deelproblemen kunnen worden geïdentificeerd. Ook zou, zo mogelijk, een prognose voor de te verwachten schade beschikbaar dienen te komen, uitgaande van het feit dat geen nadere maatregelen worden genomen.
Om dit te kunnen bereiken zijn verschillende onderzoeksresultaten statistisch met elkaar in verband gebracht. Het betreft de onderstaande gegevens:
- decade
- verbruining
- papiersoort
- lignine
- pH-waarde
- aluin
- handvouwgetal
- papierdikte
Bij de Koninklijke Bibliotheek werden ook nog het land van herkomst -niet relevant gegeven bij het Algemeen Rijksarchief- en het machinevouwgetal als te correleren gegevens ingevoerd.
De te correleren meetgegevens zijn als volgt gecodeerd:
| - land van herkomst: | Ned, B, Fr, GB, USA, It, rest |
| - datering: | jaartal (decade) |
| - verbruining: | 0 of 1 |
| - papiersoort: | vezelig/glad/doorslag/krant/fotokopie/kunstdruk/overig (1 -7) |
| - lignine: | neg., bruin, lichtp., paars (0-3) |
| - pH-waarde: | in decimalen |
| - aluin: | negatief/positief (0 - 1) |
| - handvouwgetal: | 0 - 20 |
| - machinevouwgetal: | 0 - 50 |
| - papierdikte: | in millimeters |
De resultaten van deze correlaties zijn zowel grafisch als in cijfertabellen verwerkt door de statisticus. Op basis van de onderzoeksresultaten van de totale collecties van het Algemeen Rijksarchief en de Koninklijke Bibliotheek is een aangepast correlatieschema gehanteerd voor de afzonderlijke deelcollecties en is een aantal statistische verdiepingen uitgevoerd waarbij combinaties van drie parameters zijn gecorreleerd.
5. VERANTWOORDING STATISTISCH ONDERZOEK
De statistische verwerking van de bij het schade-inventariserend onderzoek genoteerde gegevens is extern verricht. Het CNC heeft dit deel van het onderzoek uitbesteed aan dr.J. Kragten, verbonden aan het Laboratorium voor Analytische Scheikunde van de Universiteit van Amsterdam. De begeleiding van de statisticus vanuit het CNC werd verzorgd door de beide projectcoördinatoren (ARA en KB), de conservation scientist van de Koninklijke Bibliotheek en het hoofd van het restauratieatelier van het Algemeen Rijksarchief. Door de projectcoördinatoren van het CNC is bovendien enige malen overleg gevoerd met de statisticus, die destijds het schade-inventariserend onderzoek bij de gemeente Eindhoven heeft verricht.
Om zo flexibel mogelijk te kunnen opereren met uiteenlopende gegevens, zoals jaartallen die tot decaden moeten worden samengevoegd, verbruining en aluingehalte die alleen tweetallig zijn aangeduid en landennamen die soms verschillend zijn gecodeerd, ligt de keuze voor spreadsheet-verwerking op een PC voor de hand. Hierdoor is een meer flexibele dataverwerking mogelijk dan met SPSS en SAS op een mainframe. Nadeel van deze keuze is dat het programmeren in macro's wat gecompliceerder is en meer tijd vergt. Daar staat tegenover dat de macro-operaties zelf direct op het scherm gevolgd kunnen worden. Derhalve is gekozen voor spreadsheet-verwerking met LOTUS 123 op een met 2Mb RAM-geheugen uitgebreide PC-AT (Olivetti 290).
Voor deze verwerking is een speciaal invoerprogramma geschreven en gecompileerd, gericht op het handmatig invoeren van de gegevens van de dataformulieren (zie bijlagen A en B). In dit programma werd de invoer van de verschillende soorten gegevens gecontroleerd op juistheid van meting en invoer. Deze controles omvatten: de jaartallen liggend tussen 1799 en 1991; aluin of verbruining 0 of 1; papiersoort alleen 1 tot en met 7; lignine alleen 0 tot en met 3; pH waardes lager dan 7.0 (slechts een enkel monster heeft pH > 7); handvouwgetal =<20, machinevouwgetal =<50; de papierdikte in millimeters en kleiner dan 2.0 mm.
Bij de gegevensinvoer (zie figuren 3 en 4) werd geconstateerd dat bij een aantal monsters gegevens niet of onvolledig waren ingevuld. Niet altijd -zo bleek- kon het desbetreffende gegeven door de restauratoren worden achterhaald of gemeten. In de gegevensmatrix is derhalve een schatting van 10% lege velden opgenomen. Het aantal onjuiste meetgegevens is gering (minder dan 0.2%). De statisticus heeft waar mogelijk de fout bij de invoer gecorrigeerd. Zo nodig is het desbetreffende gegeven als 'niet aanwezig' (lege cel in de matrix) opgevoerd.
De deelcollecties van de Koninklijke Bibliotheek zijn vanwege hun afzonderlijke nummering apart ingevoerd. De files zijn later samengevoegd tot een grote KB-gegevensmatrix met een additionele code voor de deelcollectie. Met een speciaal parsing-programma zijn de ASCII-files van beide collecties omgezet in work-files voor de verwerking met LOTUS 123.
Tabel 3
| No | Verv | Inv.No | Jaar | Schade | Bruin | Deel | Berg | Papier | Lignine | pH | Aluin | Hand | Dikte |
| 1 | 1 | knox5 | 1855 | 2 | 0 | 1 | 3 | 2 | 1 | 4.86 | 1 | 20 | 0.11 |
| 2 | 2 | knox65 | 1894 | 0 | 0 | 1 | 3 | 2 | 0 | 4.94 | 1 | 20 | 0.05 |
| 3 | 3 | knox11 | 1913 | 0 | 0 | 1 | 3 | 2 | 1 | 5.24 | 1 | 20 | 0.08 |
| 4 | 4 | 1923 | 0 | 0 | 4 | 3 | 2 | 1 | 5.99 | 1 | 20 | 0.08 | |
| 5 | 5 | 333 | 1966 | 0 | 0 | 1 | 5 | 0 | 6.06 | 1 | 20 | 0.06 | |
| 6 | 7 | 389 | 1851 | 0 | 0 | 1 | 1 | 0 | 6.30 | 0 | 20 | 0.11 | |
| 7 | 8 | 317 | 1943 | 0 | 0 | 1 | 3 | 2 | 4.62 | 1 | 20 | 0.03 | |
| 8 | 9 | 101 | 1966 | 0 | 0 | 1 | 2 | 2 | 4.70 | 1 | 20 | 0.05 | |
| 9 | 10 | 34 | 1948 | 0 | 0 | 1 | 3 | 3 | 4.96 | 1 | 20 | 0.02 | |
| 10 | 11 | 45 | 0 | 0 | 1 | 3 | 2 | 4.41 | 1 | 20 | 0.02 | ||
| 11 | 12 | 34 | 1977 | 0 | 0 | 5 | 1 | 2 | 2 | 5.11 | 1 | 20 | 0.09 |
| 12 | 13 | 105 | 1955 | 1 | 0 | 5 | 1 | 2 | 1 | 4.19 | 1 | 20 | 0.04 |
| 13 | 14 | 80 | 1930 | 0 | 1 | 1 | 2 | 2 | 4.82 | 0 | 20 | 0.06 | |
| 14 | 15 | 408 | 1870 | 0 | 0 | 1 | 2 | 0 | 5.18 | 1 | 20 | 0.03 | |
| 15 | 17 | 9 | 1967 | 0 | 0 | 1 | 1 | 1 | 4.48 | 1 | 20 | 0.05 | |
| 16 | 19 | 24 | 1979 | 0 | 0 | 1 | 1 | 3 | 4.60 | 1 | 20 | 0.38 | |
| 17 | 21 | 75 | 1853 | 0 | 0 | 1 | 1 | 1 | 4.39 | 1 | 12 | 0.13 |
Totaalfiles van de eerste zeventien rijen van de gegevensinvoer voor het schade-inventariserend onderzoek bij het Algemeen Rijksarchief
Tabel 4
| Coll | Vervbl | Sign | Land | Jaar | Schade | Bruin | Band | Papier | Lignine | pH | Aluin | Mach | Hand | Dikte | No |
| 1 | 376 | MAW163 | NL | 1986 | 0 | 0 | 4 | 2 | 0 | 7.0 | 0 | 50 | 20 | 0.13 | 1 |
| 1 | 383 | MAX655 | IT | 1983 | 0 | 0 | 4 | 2 | 3 | 5.9 | 1 | 50 | 20 | 0.15 | 2 |
| 1 | 378 | MAV482 | USA | 1987 | 0 | 0 | 4 | 2 | 0 | 7.0 | 0 | 50 | 20 | 0.18 | 3 |
| 1 | 371 | MAK423 | OOS | 1987 | 0 | 0 | 4 | 2 | 3 | 6.1 | 1 | 50 | 20 | 0.15 | 4 |
| 1 | 367 | MAF748 | NL | 1988 | 0 | 0 | 4 | 2 | 0 | 6.8 | 0 | 50 | 20 | 0.12 | 5 |
| 1 | 323 | 3179F2 | GB | 1884 | 0 | 1 | 4 | 2 | 1 | 4.4 | 1 | 7 | 20 | 0.10 | 6 |
| 1 | 343 | 3127C2 | FR | 1880 | 4 | 0 | 1 | 2 | 1 | 5.8 | 1 | 15 | 20 | 0.11 | 7 |
| 1 | 330 | 3150C1 | USA | 1908 | 1 | 1 | 4 | 2 | 3 | 5.1 | 1 | 6 | 17 | 0.14 | 8 |
| 1 | 354 | 9315A3 | AUS | 1948 | 0 | 1 | 3 | 2 | 1 | 4.8 | 1 | 7 | 20 | 0.11 | 9 |
| 1 | 334 | 31440 | NL | 1887 | 0 | 1 | 3 | 2 | 3 | 4.8 | 1 | 6 | 8 | 0.11 | 10 |
| 1 | 403 | Retro | NL | 1974 | 0 | 1 | 4 | 6 | 2 | 7.0 | 1 | 50 | 20 | 0.15 | 11 |
| 1 | 629 | 72310000 | GR | 1972 | 0 | 0 | 4 | 2 | 2 | 5.8 | 1 | 50 | 20 | 0.15 | 12 |
| 1 | 628 | 7224F3 | D | 1975 | 0 | 0 | 4 | 1 | 1 | 5.1 | 1 | 15 | 20 | 0.20 | 13 |
| 1 | 1033 | AAB985 | USA | 1986 | 0 | 0 | 4 | 1 | 3 | 5.6 | 0 | 20 | 0.15 | 14 | |
| 1 | 1035 | AAM679 | USA | 1976 | 0 | 0 | 4 | 2 | 0 | 6.8 | 0 | 50 | 20 | 0.11 | 15 |
| 1 | 1008 | 6062D2 | USA | 1969 | 0 | 0 | 4 | 2 | 1 | 6.7 | 0 | 50 | 20 | 0.14 | 16 |
| 1 | 1007 | 6061D5 | NL | 1975 | 0 | 0 | 4 | 2 | 1 | 6.3 | 1 | 50 | 20 | 0.15 | 17 |
Totaalfiles van de eerste zeventien rijen van de gegevensinvoer voor het schade-inventariserend onderzoek bij de Koninklijke Bibliotheek
In nauw overleg met de projectcoördinatoren van het CNC is het overzicht van de te correleren gegevens en het bijbehorende schema opgesteld (zie tabel 5). Deze corresponderen met de in hoofdstuk 7 gepresenteerde onderzoeksresultaten. Zo verwijst de cijfercombinatie 3-8 naar een correlatie tussen de verbruining en het handvouwgetal.
| Tabel 5 Correlatieschema schade-inventarisatie Algemeen Rijksarchief/Koninklijke Bibliotheek | |
|---|---|
| Nummer en omschrijving | Correlatieschema |
| 1. Decade van jaren | 1-2 2-3 3-4 4-5 5-6 6-7 7-8 8-9 9-10 |
| 2. Herkomst | 1-3 2-4 3-5 4-6 5-7 6-8 7-9 8-10 |
| 3. Verbruining | 1-4 2-5 3-6 4-7 5-8 6-9 |
| 4. Papiersoort | 1-5 2-6 3-7 4-8 5-9 |
| 5. Lignine | 1-6 2-7 3-8 4-9 5-10 |
| 6. pH-waarde | 1-7 2-8 3-9 4-10 |
| 7. Aluin | 1-8 2-9 |
| 8. Vouwgetal (hm) | 1-9 |
| 9. Vouwgetal (mach.) | |
| 10. Papierdikte |
Voorinformatie over dergelijke correlaties was niet aanwezig. De correlatie-experimenten zijn het eerst toegepast bij het Algemeen Rijksarchief, vanwege de continu heterogene samenstelling en de omvang (niet opgesplitst in deelcollecties) van de te onderzoeken bestanden.
De correlaties zijn als volgt uitgevoerd. Uit elk van de totaalbestanden zijn steeds de kolommen, die gecorreleerd moesten worden, in een aparte file gekopieerd. Daarna zijn uit die matrix van gegevens die rijen verwijderd waarin lege cellen voorkwamen. Bij de correlaties met het eerste nummer uit tabel 5 zijn de jaartallen omgezet in decades, bijvoorbeeld 1895 valt dan onder de negentiger jaren (1890).
Afhankelijk van de vraagstelling en de uitkomst werd bij de correlaties met de nummers 6, 8 en 9 uit tabel 5 soms het gemiddelde berekend met het interval waarbinnen 95% van alle waarden vallen (het zogenaamde betrouwbaarheidsinterval 95%, aangeduid met de grenzen BI 95%+ en BI 95%) en soms het aantal monsters geteld dat binnen een interval ligt. Voor de visuele presentatie van de correlaties wordt verwezen naar hoofdstuk 7 en deel II van dit rapport.
De betrouwbaarheidsintervallen en de standaarddeviaties die op diverse plaatsen staan vermeld als indicatie voor de spreiding van de gemeten grootheden, hebben betrekking op de individuele waarnemingen. Ze geven dus de spreiding van de individuele waarnemingen om de ware waarde aan. Door de beperktheid van de steekproef zijn de gemiddelde waarden ook aan spreiding onderhevig. Deze spreiding is echter een factor ter grootte van de wortel uit het aantal objecten kleiner en derhalve in de meeste gevallen een orde kleiner.
Daar waar resultaten zijn betrokken op een interval (bijvoorbeeld bij de pH-metingen) is de onderwaarde wél, maar -om statistische redenen- de bovenwaarde níet in het interval begrepen. Een pH-gebied 4.5-5 sluit dus de waarde 4.5 in, maar 5.0 niet: de waarde 5.0 zit in het volgende interval.
6. VERANTWOORDING MIDDELEN SCHADE-INVENTARISEREND ONDERZOEK
In het projectvoorstel van het CNC aan beide departementen (mei 1990) werd uitgegaan van de inzet van twee projectcoördinatoren in deeltijd (KB/ARA), vier restauratoren (KB/ARA) en een externe restaurator voor de meer tijdrovende tests. Voor deze inzet was vijf maanden gepland. Het statistische onderzoek en de daarvoor benodigde invoercapaciteit zou worden uitbesteed. Aangezien het ministerie van WVC verzocht om ten behoeve van de aanbieding aan de Tweede Kamer van de Nota Bedreigd Cultuurbezit (december 1990) een tussentijdse rapportage op te stellen, besloot het bestuurlijk overleg van het CNC de personele inzet uit te breiden met twee restauratoren per instelling. De totale personeelsinzet door beide instellingen (gekapitaliseerd) werd daarmee verhoogd van 106.000 naar 181.000 gulden. Voordeel was dat door deze extra inspanning de tests in drie in plaats van de geplande vijf maanden konden worden afgerond. Dit was overigens mede een gevolg van het niet doorgaan van de vezelanalyse; hierdoor kon de externe restaurator worden ingeschakeld bij het nemen en verwerken van de tests. In totaal is er door het Algemeen Rijksarchief in de periode 1 juli tot 1 oktober 1990 1600 uur geïnvesteerd in de schade-inventarisatie, waarvan 320 uur door de projectcordinator (inclusief voorbereidingsfase van de tests). Bij de Koninklijke Bibliotheek heeft de voorbereiding (onder andere nummeren der kasten) ongeveer 370 uur gekost. De schade-inventarisatie in de periode 1 juli tot 1 oktober 1990 heeft 1200 uur gekost, waarvan ongeveer 150 uur door de projectcoördinator. Het totaal komt daarmee op circa 1570 uur. De externe restaurator heeft circa 160 uur aan de schade-inventarisatie besteed en is voor het resterende gedeelte van zijn contracttijd ingezet bij het voor het proefjaar relevante deel van het natuurwetenschappelijk onderzoek. Door de statisticus zijn verspreid over het proefjaar in totaal 100 werkdagen aan deze schade-inventarisatie besteed. Daarvan waren 22 dagen voor de ontwikkeling van de programmatuur, 33 dagen voor de verwerking van de correlaties en 25 dagen voor het presenteren van de statistische onderzoeksresultaten en overleg daarover met de projectcoördinatoren. De data-invoer door een door de statisticus ingeschakelde data-typiste heeft 20 dagen gekost.
Uit efficiency-overwegingen is de financiële boekhouding van het CNC ondergebracht bij de stafafdeling Financiële Zaken van de Koninklijke Bibliotheek. Dit neemt niet weg dat beide instellingen voor de besteding van de beschikbaar gestelde middelen verantwoording verschuldigd blijven aan het eigen departement. Intern zijn daarom -in verband met de geldende financiële voorschriften- afspraken gemaakt over de boekhoudkundige verantwoording ten behoeve van de accountantsdiensten van beide ministeries. De begroting voor het schade-inventariserend onderzoek, behorend bij het door het CNC ingediende projectvoorstel, bedroeg 274.000 gulden, inclusief de eigen personeelslasten. De dekking uit eigen middelen van Algemeen Rijksarchief en Koninklijke Bibliotheek bedroeg, exclusief de extra inzet, 106.000 gulden (personeelslasten). Het resterende deel (168.000 gulden) kwam op basis van evenredigheid ten laste van de ministeries van WVC en O&W. Uit dat gedeelte zijn de kosten voor het uitbesteden van het statistisch onderzoek inclusief de gegevensinvoer (circa 124.000 gulden), de aanschaf van een MIT Folding Endurancemeter (circa 20.000 gulden) en een computer plus randapparatuur voor de gegevensinvoer, -verwerking en monsteradministratie (circa 17.000 gulden) voldaan. Het resterende deel is benut voor organisatorische kosten, zoals het publiceren van de onderzoeksresultaten en reiskosten.
7. PRESENTATIE VAN DE ONDERZOEKSRESULTATEN
De grafieken en tabellen bij dit rapport zijn niet in een electronische versie beschikbaar. De index is wel toegevoegd. De genoemde grafieken en tabellen kunnen bij de Koninklijke Bibliotheek worden ingezien.
De onderzoeksresultaten bestaan in de papieren versie uit drie delen: een schade-inventarisatie Algemeen Rijksarchief, een schade-inventarisatie Koninklijke Bibliotheek, en een schade-inventarisatie deelcollecties Koninklijke Bibliotheek. Bij de onderdelen die betrekking hebben op de totale collectie zijn de meetresultaten altijd minstens in tabelvorm gepresenteerd. In de meeste gevallen zijn ook de daarbij behorende grafieken weergegeven. Bij de deelcollecties van de Koninklijke Bibliotheek geldt dat de bevindingen uit de uitgevoerde onderzoeken in principe zijn gepresenteerd, tenzij relevante gegevens nauwelijks iets opleverden (bijvoorbeeld de uitgevoerde correlaties met de papierdikte).
(Originele tekst van par. I.7 zoals opgenomen in de papieren uitgave:) Uit een oogpunt van compositie en leesbaarheid zijn de grafieken en tabellen bij dit rapport achter de inleiding geplaatst. De volgorde daarbij is: schade-inventarisatie Algemeen Rijksarchief, schade-inventarisatie Koninklijke Bibliotheek en schade-inventarisatie deelcollecties Koninklijke Bibliotheek. Bij de onderdelen die betrekking hebben op de totale collecties zijn de meetresultaten altijd minstens in tabelvorm gepresenteerd. In de meeste gevallen zijn ook de daarbij behorende grafieken weergegeven. Bij de deelcollecties van de Koninklijke Bibliotheek geldt dat de bevindingen uit de uitgevoerde onderzoeken in principe zijn gepresenteerd, tenzij relevante gegevens nauwelijks iets opleverden (bijvoorbeeld de uitgevoerde correlaties met de papierdikte).
8. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
Bij het Algemeen Rijksarchief bedraagt over de onderzochte periode (1800-1990) het percentage bros papier 1.5% en de categorie verzwakt 6.3%. Naar jaren gerekend kunnen de grenzen nauwer vastgelegd worden op de periode 1840-1950. Binnen deze periode bedraagt het percentage bros papier 2.9% en het percentage verzwakt 8.8%. Op grond van de onderzoeksresultaten is papier uit de periode 1870-1880 er kwalitatief het slechtst aan toe: bros 7% en verzwakt 20% (zie ARA-file 1-8).
Bij de Koninklijke Bibliotheek bedraagt over de onderzochte periode (1800-1990) het percentage bros papier 2.2% en de categorie verzwakt 4.4%. Naar jaren gerekend kunnen de grenzen nauwer vastgelegd worden op de periode 1840-1950. Binnen deze periode bedraagt het percentage bros 8.0% en het percentage verzwakt 14.8%. Op grond van de onderzoeksresultaten is papier uit de periode 1880-1890 er kwalitatief het slechtst aan toe: bros 21% en verzwakt 16% (zie KB-file 1-8).
Bij de deelcollecties van de Koninklijke Bibliotheek is de verdeling (zie KB-deelcollecties files 1-8):
monografieën: bros 2.7%, verzwakt 12% (periode 1840-1950); kranten: bros 24.3%, verzwakt 18.7% (1840-1950); tijdschriften: bros 2.6%, verzwakt 14.7% (periode 1860-1930). Bij de depot-collectie is geen bros en/of verzwakt papier aangetroffen.
De bovenstaande cijfers wijken in gunstige zin af van de zeer voorlopige cijfers uit de tussenrapportage van het CNC voor de Nota Bedreigd Cultuurbezit.
Voor het Algemeen Rijksarchief betekent dit dat over de periode 1800-1990 7.8% van de 63 km uit het geïnventariseerde bestand in aanmerking komt voor behandeling, oftewel ruim 4900 meter.
Bij de Koninklijke Bibliotheek betekent dit dat over de periode 1800-1990 een percentage van 6.6% van de 1.5 miljoen banden in aanmerking komt voor behandeling, oftewel 99.000 banden (3246 meter).
Ten aanzien van de behandeling van het bedreigd bezit geven de hierboven gepresenteerde cijfers een theoretische indicatie van de omvang van het te behandelen materiaal. Zoals uit de hiernavolgende conclusies zal blijken is een selectie tot op het individuele object (losse stuk/boek) te arbeidsintensief in het kader van een keuze voor massaconserveringsmethoden. Zo blijkt bijvoorbeeld dat uitgaande van de grafiek 'handvouwgetal per decade' (ARA) het bedreigd bezit geconcentreerd is in de periode 1850-1940. Aangezien selectie tot op het individuele stuk niet mogelijk is betekent dit dat de omvang van het te behandelen materiaal, vastgesteld via de selectie op decades, op 42% van het bestand zou uitkomen, zijnde 26.5 kilometer. Bij een dergelijke raming voor de Koninklijke Bibliotheek komt men uit op ca. één derde van het totale bezit, te weten 500.000 banden.
Dát het materiaal bros wordt is bevestigd door de resultaten van de bepaling van het machinevouwgetal. Deze conclusie kan gezien de identieke curves in de grafieken hand- (ARA) en machinevouwgetal (KB) ook voor de handvouwbepaling worden getrokken. Over het tempo waarin het proces van verzwakt tot bros verloopt is op basis van het uitgevoerde onderzoek geen prognose te geven. De snelheid van het verval wordt bepaald door een complex van factoren: variatie van materiaal, bergingsomstandigheden, raadpleegfrequentie, klimatologische omstandigheden enzovoort die bij dit onderzoek niet betrokken konden worden. Aanbevolen wordt bij het opstellen van een meerjarig natuurwetenschappelijk onderzoekprogramma voor papier door het Centraal Laboratorium deze aspecten nadrukkelijk aandacht te geven.
Op grond van het bovenstaande kunnen de volgende algemene conclusies worden getrokken.
Voor wat de periode van het 'slechte' papier betreft komen de resultaten van het ARA/KB-onderzoek overeen met die van de Zweedse onderzoeken en dat van Yale. Ook daar liggen de grenzen op 1840 en 1950. Daarbinnen concentreert het beeld van het kwalitatief minste papier zich op de jaren 1870-1910 (ARA/KB respectievelijk 1870-1880/1880-1890). Voor de Library of Congres is deze vergelijking minder eenvoudig te maken. Het grootste gedeelte van het daar geteste materiaal is niet ouder dan 80 jaar (89%). Het is duidelijk dat daarvoor wat de periode betreft een ander beeld wordt gegeven dan bij de onderzoeken met materiaal uit een periode van ruim anderhalve eeuw. Wel komen de resultaten van de bepaling van het machinevouwgetal (alleen KB) in grote mate overeen met die van de Library of Congress.
Het ARA/KB-onderzoek toont aan dat de uitkomsten van de pH-metingen geen significant verband aangeven met de kwaliteit van papier. Een zwak verband mag verondersteld worden: bedreigd papierbezit heeft gemiddeld een lagere pH dan het 'goede' papier. De Zweedse onderzoeken en ook het onderzoek bij het streekarchief Eindhoven-Kempenland vertonen hetzelfde beeld: ook hier is een zwak verband aangetoond. De gemiddelde laagste pH ligt daar op 4.5 (Zweden) en 4.2 (Eindhoven) en de gemiddelde hoogste pH op 5.1 (Zweden) en 6.2 (Eindhoven). Voor het Algemeen Rijksarchief liggen deze cijfers respectievelijk op 4.3 en 5.6, bij de Koninklijke Bibliotheek op 4.5 en 5.6 (voor recent papier 6.5).
De percentages bros en verzwakt, tezamen bedreigd papierbezit, van het ARA/KB-onderzoek zijn niet goed vergelijkbaar. Zoals in de inleiding vermeld richtte het ARA/KB-onderzoek zich op de kwaliteit van papier en niet op de materiële staat (bindwerk, band), die bij de onderzoeken van Yale, Stanford en Uppsala wel werden meegenomen. De percentages liggen daar dan ook aanmerkelijk hoger dan bij het ARA/KB-onderzoek.
II JUSTIFICATION AND CONCLUSIONS
III ONDERZOEKSRESULTATEN / SURVEY RESULTS
| INDEX VAN GEPRESENTEERDE CORRELATIES / INDEX OF PRODUCED CORRELATIONS | ||
|---|---|---|
| File | Correlaties | Pagina |
| ALGEMEEN RIJKSARCHIEF | 5 | |
| 1-2 | aantal items per decade / items per decade | 7 |
| 1-3 | verbruining per decade / discoloration per decade | 8 |
| 1-4 | papiersoort per decade / type of paper per decade | 10 |
| 1-5 | lignine per decade / lignin per decade | 12 |
| 1-6 | pH-waarde per decade / pH value per decade | 14 |
| 1-7 | aluin per decade / alum per decade | 16 |
| 1-8 | handvouwgetal per decade / hand fold index per decade | 18 |
| 3-4 | verbruining per papiersoort / discoloration per type of paper | 20 |
| 3-5 | verbruining per lignine / discoloration per lignin | 24 |
| 3-6 | verbruining per pH-gebied / discoloration per pH value | 26 |
| 3-7 | verbruining per aluin / discoloration per alum | 28 |
| 3-8 | verbruining per handvouwgetal / discoloration per hand fold index | 30 |
| 4-5 | lignine per papiersoort / lignin per type of paper | 32 |
| 4-6 | pH-waarde per papiersoort / pH value per type of paper | 34 |
| 4-7 | aluin per papiersoort / alum per type of paper | 36 |
| 4-8 | handvouwgetal per papiersoort / hand fold index per type of paper | 38 |
| 5-6 | pH-waarde per lignine / pH value per lignin | 40 |
| 5-7 | lignine per aluin / lignin per alum | 42 |
| 5-8 | handvouwgetal per lignine / hand fold index per lignin | 43 |
| 6-7 | aluin per pH-waarde / alum per pH value | 44 |
| 6-8 | pH-waarde per handvouwgetal / pH value per hand fold index | 46 |
| 7-8 | handvouwgetal per aluingehalte / hand fold index per alum | 48 |
| verdiepingen | ||
| 1-3-8 | verbruining-handvouwgetal-decade / discol.-hand fold index-decade | 50 |
| 1-5-8 | lignine-handvouwgetal-decade / lignin-hand fold index-decade | 52 |
| 1-6-8 | pH-handvouwgetal-decade / pH value-hand fold index-decade | 54 |
| KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK | 59 | |
| percentage items in een decade / items per decade | 61 | |
| 1-2 | land van herkomst per decade / country of origin per decade | 62 |
| 1-3 | verbruining per decade / discoloration per decade | 64 |
| 1-4 | papiersoort per decade / type of paper per decade | 66 |
| 1-5 | lignine per decade / lignin per decade | 68 |
| 1-6 | pH-waarde per decade / pH value per decade | 70 |
| 1-7 | aluin per decade / alum per decade | 72 |
| 1-8 | handvouwgetal per decade / hand fold index per decade | 74 |
| 1-9 | machinevouwgetal per decade / machine fold index per decade | 76 |
| 2-3 | verbruining per land / discoloration per country | 78 |
| 2-4 | papiersoort per land / type of paper per country | 80 |
| 2-5 | lignine per land / lignin per country | 82 |
| 2-6 | pH-waarde per land / pH value per country | 84 |
| 2-7 | aluin per land / alum per country | 86 |
| 2-8 | handvouwgetal per land / hand fold index per country | 88 |
| 2-9 | machinevouwgetal per land / machine fold index per country | 89 |
| 3-4 | verbruining per papiersoort / discoloration per type of paper | 90 |
| 3-5 | verbruining per lignine / discoloration per lignin | 92 |
| 3-6 | verbruining per pH-gebied / discoloration per pH value | 94 |
| 3-7 | verbruining per aluin / discoloration per alum | 96 |
| 3-8 | verbruining per handvouwgetal / discoloration per hand fold index | 98 |
| 4-5 | lignine per papiersoort / lignin per type of paper | 100 |
| 4-6 | pH per papiersoort / pH value per type of paper | 102 |
| 4-7 | aluin per papiersoort / alum per type of paper | 104 |
| 4-8 | handvouwgetal per papiersoort / hand fold ind. per type of paper | 106 |
| 5-6 | pH-waarde per lignine / pH value per lignin | 108 |
| 5-7 | lignine per aluin / lignin per alum | 110 |
| 5-8 | handvouwgetal per lignine / hand fold index per lignin | 111 |
| 5-9 | machinevouwgetal per lignine / machine fold index per lignin | 112 |
| 6-7 | aluin per pH-range / alum per pH range | 113 |
| 6-8 | pH-waarde per handvouwgetal / pH value per hand fold index | 114 |
| 6-9 | pH-waarde per machinevouwgetal / pH value per machine fold index | 116 |
| 7-8 | aluin per handvouwgetal / alum per hand fold index | 118 |
| 8-9 | handvouwgetal per machinevouwgetal / hand fold per machine fold | 120 |
| verdiepingen | ||
| 1-3-8 | verbruining-handvouwgetal-decade / discol.-hand fold-decade | 122 |
| 1-5-8 | lignine-handvouwgetal-decade / lignin-hand fold-decade | 124 |
| 1-6-8 | pH-waarde-handvouwgetal-decade / pH value-hand fold-decade | 126 |
| deelcollectie monografieën | ||
| 1-3 | verbruining per decade / discoloration per decade | 130 |
| 1-5 | lignine per decade / lignin per decade | 132 |
| 1-6 | pH-waarde per decade / pH value per decade | 134 |
| 1-8 | handvouwgetal per decade / hand fold index per decade | 136 |
| 1-9 | machinevouwgetal per decade / machine fold index per decade | 138 |
| 3-5 | verbruining per lignine / discoloration per lignin | 140 |
| 3-6 | verbruining per pH-gebied / discoloration per pH value | 142 |
| 3-8 | verbruining per handvouwgetal / discoloration per hand fold | 144 |
| 5-6 | pH-gem per lignine / pH value per lignin | 146 |
| 5-8 | handvouwgetal per lignine / hand fold index per lignin | 148 |
| 6-8 | pH-waarde per handvouwgetal / pH value per hand fold index | 150 |
| 8-9 | handvouwgetal per machinevouwgetal / hand fold per machine fold | 152 |
| deelcollectie kranten | ||
| 1-3 | verbruining per decade / discoloration per decade | 154 |
| 1-5 | lignine per decade / lignin per decade | 156 |
| 1-6 | pH-waarde per decade / pH value per decade | 158 |
| 1-8 | handvouwgetal per decade / hand fold index per decade | 160 |
| 1-9 | machinevouwgetal per decade / machine fold index per decade | 162 |
| 3-5 | verbruining per lignine / discoloration per lignin | 164 |
| 3-6 | verbruining per pH-gebied / discoloration per pH value | 166 |
| 3-8 | verbruining per handvouwgetal / discoloration per hand fold | 168 |
| 5-6 | pH-gem per lignine / pH value per lignin | 170 |
| 5-8 | handvouwgetal per lignine / hand fold index per lignin | 172 |
| 6-8 | pH-waarde per handvouwgetal / pH value per hand fold index | 174 |
| 8-9 | handvouwgetal per machinevouwgetal / hand fold per machine fold | 176 |
| deelcollectie tijdschriften | ||
| 1-3 | verbruining per decade / discoloration per decade | 178 |
| 1-5 | lignine per decade / lignine per decade | 180 |
| 1-6 | pH-waarde per decade / pH value per decade | 182 |
| 1-8 | handvouwgetal per decade / hand fold index per decade | 184 |
| 1-9 | machinevouwgetal per decade / machine fold index per decade | 186 |
| 3-5 | verbruining per lignine / discoloration per lignin | 188 |
| 3-6 | verbruining per pH-waarde / discoloration per pH value | 190 |
| 3-8 | verbruining per handvouwgetal / discoloration per hand fold | 192 |
| 5-6 | pH-waarde per lignine / pH value per lignin | 194 |
| 5-8 | handvouwgetal per lignine / hand fold index per lignin | 196 |
| 6-8 | pH-waarde per handvouwgetal / pH value per hand fold index | 198 |
| 8-9 | handvouwgetal per machinevouwgetal / hand fold per machine fold | 200 |
| deelcollectie depot | ||
| 1-3 | verbruining per decade / discoloration per decade | 202 |
| 1-5 | lignine per decade / lignin per decade | 203 |
| 1-6 | pH-waarde per decade / pH value per decade | 204 |
| 1-9 | machinevouwgetal per decade / machine fold index per decade | 205 |
| 3-5 | verbruining per lignine / discoloration per lignin | 206 |
| 3-6 | verbruining per pH-waarde / discoloration per pH value | 207 |
| 3-8 | verbruining per handvouwgetal / discoloration per hand fold | 208 |
| 5-6 | pH-waarde per lignine / pH value per lignin | 210 |
| 5-8 | handvouwgetal per lignine / hand fold index per lignin | 212 |
| 6-8 | pH-waarde per handvouwgetal / pH value per hand fold index | 213 |
| 8-9 | handvouwgetal per machinevouwgetal / hand fold per machine fold | 214 |
A. Datablad schade-inventariserend onderzoek Algemeen Rijksarchief A
B. Datablad schade-inventariserend onderzoek Koninklijke Bibliotheek B
C. Conclusie voorbereidend seminar"schade-inventarisatie" van 30 oktober tot en met 2 november 1989 in den Haag gehouden.
Deelnemers
Het seminar werd belegd door Dr.M.K. Talley, projectleider van conserveringsvraagstukken (Ministerie van WVC). In totaal waren 30 personen uitgenodigd, waarvan er circa 25 aan het seminar deelnamen. De deelnemers waren afkomstig van overheidsinstellingen als bibliotheken, Rijks- en gemeentelijke archiefdiensten, provinciale archiefinspecties, onderzoeksinstellingen (Universiteit van Amsterdam, Centraal Laboratorium) en uit de particuliere restauratorenwereld (onder andere De Tiendschuur). Uit het buitenland waren Dr.D. Sebera (Library of Congress) en Dr.J. Palm (Universiteitsbibliotheek Uppsala) aanwezig bij het seminar dat in het complex van de Koninklijke Bibliotheek en het Algemeen Rijksarchief gehouden werd.
Doel
Doel van het seminar was te komen tot een in Nederland te gebruiken methode om de schade aan het materiaal te kwantificeren en te kwalificeren.
Programma
De beide buitenlandse deskundigen, die zelf in hun instituten aan schade-onderzoeken hadden meegewerkt, deden tijdens het seminar uitgebreid verslag van hun bevindingen. Dr. Sebera benadrukte nog eens dat men vooral het doel van het schade-inventariserend onderzoek niet uit het oog mag verliezen. Voor de Library of Congress gold het onderzoek als ondersteuning van een aanvraag voor een financiële bijdrage voor de bouw van een 'ontzuringsfabriek'. Er werd daarom in zeer korte tijd een goed onderbouwde uitkomst verwacht, hetgeen bereikt werd door gebruik te maken van een laboratorium met veel hoog gekwalificeerd personeel en speciale apparatuur. In Zweden had men al, in het kader van het nationale conserveringsprogramma, geldmiddelen ter beschikking. Het ging er om een methode te beproeven die inzicht zou kunnen geven in de toestand van het bibliotheek- en archiefbestand. Hier ging het om een pilotproject, waarbij enkele instituten betrokken waren met als einddoel een landelijke inventarisatie. Met dit doel voor ogen kwamen alleen die methoden in aanmerking die door leken na enige instructie konden worden uitgevoerd. De zogenaamde Stanford-methode leende zich hier uitstekend voor, ookal door de geringe hoeveelheid, per collectie, te onderzoeken boeken en archiefstukken.
Naast de referaten van de buitenlandse deskundigen werden inleidingen gehouden over Nederlandse ervaringen met schade-inventarisaties van een kleinere omvang bij de Koninklijke Bibliotheek (Smit/Porck) en het streekarchief Regio Eindhoven-Kemperland (Ector).
Dr. Sebera hield ook een exposé over de DEZ-ontzuringsmethode.
Het seminar werd afgesloten met een evaluatie onder leiding van Ir.J. Lodewijks (Ministerie van WVC). De teksten van de inleidingen zijn op band vastgelegd en berusten in deze vorm bij de Centrale Directie van de Rijks Archiefdienst.
Conclusies/aanbevelingen
Aan het eind van het seminar werd de methodiek voor de Nederlandse situatie vastgesteld. Allereerst werd men het erover eens dat moest worden gestart met een pilotproject, om eventueel in een later stadium meer archieven en bibliotheken in Nederland te onderzoeken. Tevens besloot men een statisticus aan te zoeken om de methode van de steekproef te bepalen en het project te begeleiden. Medewerkers van de Koninklijke Bibliotheek en het Algemeen Rijksarchief alsmede een particulier restaurator zouden de proef, met tests, uitvoeren.
Mede door de ervaringen opgedaan tijdens een voorlopig onderzoek in de Koninklijke Bibliotheek en een vergelijkbaar onderzoek in het genoemde streekarchief, kwam men tot de conclusie dat bibliotheek- en archiefmateriaal afzonderlijke methodieken verlangde, vooral waar dit het vouwgetal betrof. Voor bibliotheken zou daarom voor de vouwgetaltest het systeem van de Library of Congress aangehouden worden. Hierbij wordt van elk te onderzoeken boek van een willekeurige bladzijde een strook papier van 1,5 cm breed gesneden. De voordelen van deze methode zijn:
1. het uitsluiten van de subjectieve beïnvloeding van de gegevens door gebruik te maken van hoogwaardige meetapparatuur.
2. het totaal uitsluiten van een subjectieve beoordeling door het separaat van het boek uitvoeren van de fysische tests.
Bij het archiefmateriaal, waarbij meestal geen strook afgesneden kan worden in verband met de vaak tot aan de bladrand doorlopende tekst, zou worden vastgehouden aan de handmatige vouwgetaltest.
Omwille van andere parallel lopende onderzoeken in verband met de conservering van bibliotheek- en archiefmateriaal zoals verwerkt in het proefjaar massaconservering, zou de test worden uitgebreid. Niet alleen de papiersterkte, het ligninegehalte en de zuurgraad zouden gemeten worden maar tevens de papierdikte, indien mogelijk het aluingehalte en de vezelsoort. Het onderzoek naar de papierkwaliteit en die van de binding/bandkwaliteit zouden gescheiden worden verwerkt. Daarbij ging het in het Nederlandse onderzoek vooral om de papierkwaliteit in verband met de massaconservering van papier. Bindtechnische problemen moeten onder een ander hoofdstuk worden geplaatst.
Vast is komen te staan dat met een relatief klein aantal monsters uitspraken met een hoge mate van betrouwbaarheid over zeer omvangrijke bestanden/Collecties kunnen worden gedaan.
De periode voor het nemen van de steekproef moet beginnen bij 1800, dit gezien de veranderingen in de papierfabrikagemethoden, en eindigen anno nu.